Ontstaan en ontwikkeling

Middeleeuwen

De basis voor de meeste vestingsteden is gelegd in de Middeleeuwen, net als voor de meeste Nederlandse steden. Aanvankelijk zijn het nederzettingen aan het water, die onder invloed van bevolkingsgroei en handelsbloei uitgroeien tot woonkernen en daarna stadsrechten krijgen. Iedere stad moet zichzelf verdedigen tegen ongenode `gasten`. Die vallen aan met pijl en boog en met reusachtige katapulten, waarmee ze brandende strobalen en rottende hondenlijken afschieten. De steden verdedigen zich door een gracht (een `vest`) te graven en binnen die gracht een hoge muur op te trekken, met torens, zodat ze de vijand kunnen zien aankomen.

De komst van het kanon

De komst van het kanon in de 15e eeuw zorgt ervoor, dat de stadsmuren niet meer voldoen. De ijzeren kogels, die de kanonnen afschieten, maken de hoge muren met torens erg kwetsbaar. De kogels kunnen namelijk bressen in de muren schieten en het puin hiervan kan in de gracht terecht komen. Dan is het voor de aanvallers een klein kunstje om de stad in te nemen. Daarom worden de stadsmuren verlaagd en aan de binnenkant aangeplempt met aarde. Op de lagere muren worden kanonnen geplaatst. Rond sommige plaatsen wordt een extra gracht gegraven met een stuk land ertussen waar een kanon op kan staan. Zo wil men de vijand weghouden met eigen geschut en als die onverhoopt toch te dichtbij komt, zelf zo weinig mogelijk schade lijden van vijandelijke kogels.

Vestingsteden geboren

Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) besluit de Republiek, dat de strategisch gelegen steden moeten worden uitgerust met speciale verdedigingswerken. Zulke steden worden tot vestingsteden omgebouwd. Typisch aan vestingsteden is verder, dat er garnizoenen komen te liggen ter verdediging van de stad. Die worden ingekwartierd bij de mensen thuis. Ieder huishouden in zo`n vestingstad heeft permanent een paar soldaten te logeren. Daarvoor krijgen de inwoners betaald. Dat bevalt ze wel. Zulke steden hoeven niet langer zelf voor hun verdedigingswerken op te draaien, maar die worden voortaan aangelegd en onderhouden op kosten van de Republiek. Dat bevalt nog beter. De vestingsteden worden aangelegd in een aparte vorm, die bepaald wordt met behulp van wiskundige berekeningen, die rekening houden met het schootsveld van de kanonnen. Door hun uitgesproken vorm kunnen vestingsteden duidelijk worden onderscheiden van gewone steden.

Onder water zettingen (Inundaties)

Water heeft door de eeuwen heen een belangrijke rol gespeeld bij de verdediging van steden en gebieden in de Republiek en later Nederland. Deze streken bestaan immers van oudsher grotendeels uit polders met dijken eromheen. Die kunnen met enkele schoppen worden doorgestoken, zodat het water een polder binnenstroomt. Als een Hollandse stad in de Tachtigjarige Oorlog wordt bedreigd, gebeurt dat ook. Dan wordt er een meter water in de polders gelaten, zodat de vijand niet verder kan. De watervlakten die dan ontstaan zijn namelijk te diep om te doorwaden en te ondiep om erover te varen. Leiden`s ontzet in 1574 is te danken aan onder water zettingen van een flink stuk van Zuid-Holland. Zulke acties noemt men het stellen van inundaties. Ze zijn natuurlijk sterk in het voordeel van de stad, die zich verdedigt. Zij benadelen echter de boeren die in de onder water gezette polders wonen enorm, omdat hun oogst erdoor mislukt en zij hun land niet kunnen inzaaien.

Vestingsteden in Waterlinies

De Republiek combineert vervolgens, voor haar verdediging, vestingsteden met inundaties in de vorm van waterlinies. Hierin worden de vestingsteden door dijken verbonden, zodanig dat de gebieden die ervoor liggen gemakkelijk onder water kunnen worden gezet. Zij voorziet deze aan de grenzen van Holland en Zeeland, de rijkste provincies. Tegen het einde van de Tachtigjarige Oorlog worden de Utrechtse Waterlinie en de linie tussen Bergen op Zoom en Steenbergen aangelegd. De eerste moet Holland, de tweede Zeeland tegen de Spaanse legers beschermen. De Spaanse legers vallen de vestingsteden echter niet meer aan.

Vestingsteden verwaarloosd

Op het einde van Tachtigjarige Oorlog was er nog wel belangstelling geweest om de vestingen uit te rusten met de nieuwste snufjes in de vestingbouw. Maar daarna wordt dit snel minder. In 1672 trekken de Fransen, onder leiding van de `Zonnekoning`, Lodewijk XIV, en geholpen door de Bisschoppen van Münster en Keulen de Republiek binnen. Het rampjaar voor de Republiek is aangebroken. De meeste vestingsteden, waarop zij het oog laten vallen, worden door hen gemakkelijk ingenomen. De inundaties doen echter deels hun werk. De Fransen kunnen Amsterdam, de rijke handelsstad waarop zij hun zinnen hebben gezet, niet bereiken door een wateroppervlakte van 5 kilometer breed water voor Muiden. In 1673 trekken zij zich terug.

Vestingsteden gereconstrueerd

 
In het begin van de achttiende eeuw wordt de verdediging van de Republiek op een nieuwe leest geschoeid. Vestingsteden krijgen de functie om waterlinies goed te laten functioneren. De leiding van de modernisering van de vestingsteden heeft Menno van Coehoorn. Hij heeft drie waterlinies voor ogen. Ten eerste de Hollandse Waterlinie met als vestingsteden Naarden-Muiden-Weesp-Vreeswijk-Oudewater-Woerden-Schoonhoven-Nieuwpoort- Gorinchem en Woudrichem. Vervolgens de IJssellinie met als vestingsteden Nieuweschans-Bourtange-Coevorden-Zwolle-Deventer-Zutphen-Doesburg-Arnhem-Nijmegen. Als laatste een linie in het zuiden die loopt van Grave via `s-Hertogenbosch-Heusden-Geertruidenberg-Breda-Steenbergen-Bergen op Zoom-Hulst-Sas van Gent naar Sluis. Op zijn aangeven worden de meeste vestingsteden in die linies volledig omgebouwd. Zij blijven omgeven door aarden wallen en een gracht. Maar door een totale vernieuwing van zowel hun vorm als hun uitrusting kunnen de vestingsteden hun werk weer doen.
 

Vestingsteden opgeknapt door de Fransen

Als de Fransen op het einde van de achttiende eeuw de Republiek veroveren, verandert het perspectief van de vestingsteden. Die hebben nu niet langer alleen de functie om de Republiek te verdedigen, maar ook om Frankrijk te verdedigen tegen Engeland en andere vijanden. De vestingsteden die hierbij een rol kunnen spelen krijgen een grondige opknapbeurt, de andere niet. De vestingsteden die geen functie meer hebben in de verdediging mogen hun vestingwerken afbreken.

Vestingwerken wijken voor industrie, verkeer en ontspanning

Alleen de vestingsteden die nuttig worden geacht voor de verdediging van Nederland blijven na de afscheiding van België hun karakter van vestingstad behouden. De andere vestingsteden mogen zich ontvesten; die worden van hun plicht ontheven om de vestingwerken te onderhouden en krijgen officieel toestemming om hun wallen te slechten, hun grachten te dempen en het schootsveld te bebouwen. Zulke voormalige vestingsteden ontwikkelen zich tot industriesteden en maken ruimte voor trein en auto. Veel van hun wallen worden wandelpromenades.

Resterende vestingsteden nemen in betekenis af

De vestingsteden, die dit om militaire redenen moeten blijven en hun vestingwerken niet mogen afbreken, blijven klein. Dat komt omdat ze niet buiten de wallen kunnen bouwen, daar het schootsveld van het geschut op de wallen niet mag worden belemmerd. Zulke vestingsteden moeten dus klein blijven, ondanks dat ze in militair opzicht steeds minder belangrijk worden. De resterende vestingsteden krijgen namelijk meer en meer het karakter van hulpstation voor de linies, met name de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dat is een verschuiving van de Hollandse Waterlinie voorbij Utrecht. Hun militair belang neemt af, omdat het inundatiestelsel wordt uitgebreid, nieuwe sluizen verder weg worden gebouwd en nieuwe forten verderop in het land in worden gezet. Dit omdat het vijandig geschut mettertijd al maar verder reikt.

Nog maar twee vestingsteden over

Na de eerste wereldoorlog blijven alleen Muiden en Weesp als vestingstad over, omdat zij in de Stelling van Amsterdam liggen. De militaire strategen besluiten dan om die linie als laatste verdedigingslinie te gebruiken, die onder alle omstandigheden zal worden verdedigd. Uiteindelijk verliezen de waterlinies hun militaire betekenis door de komst van vliegtuigen en is het met de noodzaak voor vestingsteden volledig gedaan.

Restauratie

Vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw zijn veel vestingsteden gerestaureerd, voor een deel of soms in hun geheel. Ook de Nieuwe Hollandse waterlinie is weer in beeld gekomen.